Een beschouwing over risicogestuurd denken, zorgcontractering en lessen uit twintig jaar bancaire compliance.
Tijdens de ontwikkeling van een e-learning over zorgfraude bleef één vraag zich steeds nadrukkelijker opdringen.
Niet hoeveel zorgfraude er precies plaatsvindt. Ook niet welke wetgeving van toepassing is of welke toezichthouder waarvoor verantwoordelijk is. De vraag die mij bezighield was fundamenteler.
Waarom investeren banken al tientallen jaren zoveel in het beoordelen van de financiële integriteit van organisaties vóór én tijdens een klantrelatie, terwijl bij de contractering van zorgaanbieders diezelfde manier van kijken veel minder zichtbaar lijkt?
Die vraag is niet ingegeven door de gedachte dat banken het beter doen dan gemeenten. Daarvoor verschillen beide werelden te veel. Banken vervullen een wettelijke poortwachtersrol binnen het financiële stelsel. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de toegankelijkheid, kwaliteit en rechtmatige bekostiging van zorg. De maatschappelijke opdracht, de wettelijke kaders en de beschikbare instrumenten zijn wezenlijk anders.
Juist daarom vond ik de vraag interessant.
De bancaire reflex
Twintig jaar werkzaam zijn binnen AML Compliance verandert de manier waarop je naar organisaties kijkt.
Binnen banken draait Customer Due Diligence niet uitsluitend om het signaleren van witwassen, terrorismefinanciering of fraude. Het vertrekpunt ligt eerder in een bredere beoordeling van financiële integriteit. Wie bestuurt de organisatie? Hoe ziet de eigendomsstructuur eruit? Zijn er ongebruikelijke financieringsconstructies? Welke rol spelen verbonden partijen? Zijn er eerdere faillissementen? Past de ontwikkeling van de organisatie bij het verwachte risicoprofiel?
Geen van die vragen vormt op zichzelf een bewijs van onregelmatigheden. Juist de combinatie van signalen bepaalt of een verdiepend onderzoek noodzakelijk is. Risicobeoordeling begint daarom niet bij bewijs, maar bij het zorgvuldig wegen van indicatoren die gezamenlijk iets kunnen zeggen over de integriteit van een organisatie.
Dat denken is binnen de bancaire sector in de afgelopen decennia gemeengoed geworden.
Een andere werkelijkheid
Tijdens mijn onderzoek naar zorgfraude ontdekte ik een heel andere context.
De zorg is een sector waarin publieke belangen, kwetsbare cliënten, schaarste aan zorgverleners, complexe wetgeving en grote financiële stromen samenkomen. Tegelijkertijd bestaat er een breed gedeeld beeld dat zorgfraude, verspilling en oneigenlijk gebruik een aanzienlijk maatschappelijk probleem vormen. Exacte omvangschattingen lopen uiteen, maar vrijwel niemand betwist dat het om substantiële bedragen gaat.
Juist daarom ontstond bij mij een andere vraag.
Welke rol speelt financiële integriteit eigenlijk op het moment dat een gemeente besluit een langdurige contractuele relatie met een zorgaanbieder aan te gaan?
Bij het bestuderen van open-houseprocedures viel mij op dat veel aandacht uitgaat naar kwaliteitseisen, bedrijfscontinuïteit, deskundigheid en administratieve voorwaarden. Dat is begrijpelijk en ook noodzakelijk. Zonder voldoende zorgaanbieders komt de continuïteit van zorg direct onder druk te staan.
Maar tegelijkertijd vroeg ik mij af welke plaats financiële integriteit, governance en eigendomsstructuren innemen binnen datzelfde beoordelingsproces.
Een eenduidig antwoord heb ik daarop nog niet gevonden. Juist dat maakte de vraag interessanter.
Wel ontdekte ik dat die vraag veel complexer is dan ik aanvankelijk dacht.
Meer dan een kwestie van bevoegdheden
Een eerste reactie zou kunnen zijn dat gemeenten eenvoudigweg minder mogelijkheden hebben dan banken.
Dat is ongetwijfeld een deel van het verhaal.
Gemeenten opereren binnen een ander juridisch kader, beschikken over andere bevoegdheden en moeten voortdurend een balans vinden tussen toegankelijkheid van zorg, administratieve lasten, proportionaliteit en rechtmatigheid. Daarnaast zijn verantwoordelijkheden verdeeld over verschillende overheden, toezichthouders en uitvoeringsorganisaties.
Toch bleef de vraag bestaan of de verklaring uitsluitend in wetgeving gezocht moet worden.
Misschien spelen ook andere factoren een rol. Verschillen in risicodenken. Historische ontwikkelingen. Capaciteit. Beschikbare expertise. Of simpelweg andere prioriteiten.
Juist daardoor werd mijn oorspronkelijke vraag alleen maar interessanter.
Toen kwam het wetsvoorstel Wibz in beeld
Tijdens die zoektocht kwam ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) in beeld. Opvallend genoeg lijkt de wetgever zich daarbij met een vergelijkbare vraag bezig te houden. In de memorie van toelichting staat niet alleen het bestrijden van fraude centraal, maar vooral het bevorderen van integere bedrijfsvoering. Begrippen als governance, transparantie, verbonden partijen en verantwoord ondernemerschap keren daarbij steeds terug. Daarmee lijkt de aandacht zich te verbreden van het reageren op misstanden naar het eerder herkennen van risico’s die de integriteit van de bedrijfsvoering kunnen aantasten.
Voor iemand met een achtergrond in bancaire compliance zijn dat vertrouwde begrippen.
Niet omdat dezelfde instrumenten worden gebruikt.
Maar omdat dezelfde onderliggende vraag zichtbaar wordt.
Hoe herken je integriteitsrisico’s voordat zij leiden tot maatschappelijke schade?
Misschien ligt de grootste overeenkomst ergens anders
Aanvankelijk zocht ik de vergelijking tussen banken en gemeenten vooral in de instrumenten die beide gebruiken.
Gaandeweg begon ik te vermoeden dat die vergelijking op de verkeerde plaats werd gezocht.
Misschien zit de meest interessante overeenkomst helemaal niet in Customer Due Diligence, Bibob, open-houseprocedures of het wetsvoorstel Wibz.
Misschien zit zij in de ontwikkeling van het denken over financiële integriteit.
Banken hebben in de afgelopen decennia geleerd dat integriteitsrisico’s zich zelden onverwacht aandienen. Vaak zijn er al eerder signalen zichtbaar. Niet als bewijs van fraude, maar als indicatoren die vragen oproepen en aanleiding geven om beter te begrijpen met wie een langdurige relatie wordt aangegaan.
De vraag die bij mij blijft hangen is of dat risicogestuurde denken, uiteraard binnen de eigen wettelijke kaders en verantwoordelijkheden, ook waardevolle inzichten kan bieden voor de contractering van zorgaanbieders.
Dat is geen pleidooi om gemeenten als banken te laten functioneren.
Wel een uitnodiging om het gesprek te voeren over een vraag die volgens mij nog onvoldoende wordt gesteld.
Welke rol zou financiële integriteit moeten spelen aan de voordeur van de zorg?
